Als zoon van de Nederlandse violist en concertmeester van het Leipziger Gewandhausorchester Engelbert Röntgen en de Duitse pianiste Pauline Klengel, heeft Julius Röntgen (1855-1932) de juiste genen meegekregen om zich van muzikaal wonderkind te ontpoppen tot een excellent pianist en een veelzijdig componist.
Compositiestijl Zijn omvangrijke oeuvre (ruim 600 composities) omvat symfonieën, concerten, kamermuziek in vele bezettingen, liederen, koorwerken en opera's. Hoewel hij het internationale muziekleven op de voet volgde, bleef Röntgen trouw aan zijn eigen, in de Leipziger Schule gewortelde manier van componeren. Zijn muziek is het meest verwant aan die van Brahms, maar ook zijn bewondering voor Reger klinkt door in zijn werk. Met zijn onderzoek naar en verklanking van Nederlandse volksmuziek heeft hij belangrijk werk verricht, maar ook door volksmuziek uit andere landen liet hij zich inspireren, getuige zijn werken op thema's en volksmelodieën uit Scandinavië. Zijn enorme productiviteit als componist is des te opmerkelijker naast zijn activiteiten als solist, kamermuziekspeler, organisator en pedagoog.
Band met Amsterdam In 1878 vestigde Julius Röntgen zich in Nederland. Hij aanvaardde een betrekking als pianoleraar in Amsterdam, werd dirigent van de zangvereniging Excelsior, van de Amsterdamse afdeling van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst en van de Felix Meritis-concerten. In tal van opzichten verrichtte hij pionierswerk, zoals met de eerste Nederlandse uitvoering van Bachs Hohe Messe . In 1884 richtte hij samen met Frans Coenen, Daniël de Lange en Johannes Messchaert het Amsterdamsch Conservatorium op, waarvan hij later zelf directeur zou worden (van 1913 tot 1924).
Trio voor fluit, hobo en fagot Het componeren ging Röntgen erg makkelijk af. Zijn kracht ligt vooral in zijn vocale werken en kamermuziek. Van dit laatste krijgt u vanavond het trio voor fluit, hobo en fagot op. 86 te horen. In het trio speelt Röntgen met eenvoudige, melodieus gemakkelijk in het gehoor liggende thema’s die hij door de drie instrumenten op hun specifieke wijze laat uitspelen en samen spelen. Met name in het derde deel, wat een variatiedeel is, zijn verschillende volksmelodieachtige thema’s te horen die elkaar in korte stukjes snel opvolgen. Dat de kracht van Röntgen lag in het schrijven van kamermuziek blijkt in dit trio onder meer uit het feit dat het voor een trio een erg volwassen en volwaardig stuk is, dat de muzikanten uitdaagt tot soms technische, maar meestal muzikale hoogstandjes.
Het trio bestaat uit 3 delen: 1. Allegretto con spirito 2. Poco andante, quasi una fantasia 3. Allegretto
Bron: http://www.juliusrontgen.nl/biografie.html en Beryl ter Haar (tekst over trio) |